Deze website maakt gebruik van cookies die uw voorkeuren opslaan om op die manier het surfen te vergemakkelijken.

03&04
DEC. '21
Brugge
DE 'LOTINGHE',
CULTUREEL
erfgoed

DE LOTERIJ IN BRUGGE IN 1441, CULTUREEL ERFGOED

In de middeleeuwen nam men in Brugge een nooit gezien initiatief waarvan ze niet konden vermoeden dat het de basis zou leggen van wat we 580 jaar later wereldwijd kennen als ‘een loterij’. Brugge was in die tijd een zeer bloeiende metropool, maar een fikse boete opgelegd door Filips de Goede, hertog van Bourgondië, en de kosten die gepaard gingen met de veelvuldige opstanden, zorgden ervoor dat er alternatieve manieren moesten gevonden worden om nuttige zaken voor de gemeenschap te financieren zonder daarbij extra belastingen te moeten heffen. Net zoals vandaag was dat in de middeleeuwen geen populaire maatregel.

Het geniale plan om een loterij met diverse prijzen te organiseren en zo vrijwillige bijdragen te verzamelen en met de opbrengsten collectieve noden te bekostigen, bleek een schot in de roos. Hun historische beslissing, bijna 600 jaar geleden, zou het Europese loterijlandschap voorgoed veranderen.

HET VERHAAL ACHTER DE UNIEKE 'LOTINGHE' UIT 1441

'Ontfaen van den lotene van der scrooderie van Pietren Den Hont (…) Item ghegheven van den prisen ende andren diverschen costen.' Zo begint een kort berichtje in de Brugse stedelijke rekening van het jaar 1441-1442. Voor wie het Middelnederlands moeilijk te begrijpen vindt: ‘ontfaen’ is ons huidige ‘ontvangen’, de ‘lotene’ is de loterij en de ‘scroderie’ is een middeleeuws ambacht, ook ‘wijnroeder’ genoemd.

DE LOTERIJ UIT 1441 VEROVERT
DE WERELD VANUIT BRUGGE

Brugse stedelijke rekening 1441-1442

In de 21ste eeuw leest het 15de-eeuwse Brugse ‘geboortekaartje’ niet zo vlot meer. Wat er staat:

Er is ontvangen van de loterij georganiseerd voor het verloten van het schrodersambacht (het gaat hier om een job als een soort opzichter van de geldstromen die van de accijnzen komen) van Pieter den Hont, 633 ponden 7 schellingen Vlaamse Groot. Hiervan moet men enkele uitgaven aftrekken, zijnde 2 ponden Vlaamse Groot die aan Pieter zijn betaald (dat vermoedelijk de man die de titel het jaar ervoor droeg). En er is ook 60 pond 14 schellingen en 4 denieren Vlaamse Groot betaald voor diverse prijzen en andere kosten.

Op het einde wordt de slotsom gemaakt. Er schiet dus nog 511 ponden, 17 schellingen, 4 denieren Vlaamse groot over. Dan zetten ze dat nog eens om in ponden Parisis, een munteenheid die door de Bourgondiërs gebruikt wordt.

Wijnroeders hadden het monopolie op het lossen van vaten wijn in de Brugse haven, waarna die versleept werden naar de huizen van de afnemers, en in hun kelders neergelaten. Het was een lucratief ambt, omdat de schroders belasting mochten heffen op de ingevoerde vaten en dat geld voor zichzelf mochten houden als loon.

Als er schroder overleed of zijn ontslag kreeg, dan werd er geen vervanger gezocht via een sollicitatieprocedure, zoals dat vandaag zou gaan. De baan werd verloot. Zo bepaalde het toeval wie de job en het bijbehorende salaris te beurt viel. Zulke lotingen (ook van andere posten, zoals die van de beste plaats om met je kraam op de markt te staan) vinden we al terug in de archieven van meerdere steden vanaf de dertiende eeuw. Maar wat de Brugse loterij van 1441 – waar dus het schrodersambt van een zekere Pieter Den Hont verloot werd – zo bijzonder maakte, was dat er nog andere prijzen waren. Geldprijzen, van hoge tot lage bedragen. Er konden dus veel meer mensen deelnemen dan enkel diegenen met de ambitie om schroder te worden. De loterij werd een publiek evenement. Er kwam daardoor ook meer geld in het laatje van de organisator, de Brugse stedelijke overheid. En dat was nodig, want die moest een stevige boete betalen aan hertog Filips De Goede, als straf omdat de Brugse gilden tegen hem in opstand waren gekomen. Eerder dan haar burgers te belasten om dat bedrag bij elkaar te krijgen, verleidde de stad hen om vrijwillig een lot te kopen.

Het idee maakte snel school. Andere steden, altijd op zoek naar nieuwe bronnen van inkomsten, namen het Brugse voorbeeld over. Dat gebeurde het eerst in de onmiddellijke omgeving, in andere steden in de Bourgondische Nederlanden: Sluis, Ieper, Gent, Rijsel, Nieuwpoort, Oudenaarde, Antwerpen, Leuven… Tussen 1441 en 1500 werden in de Lage Landen minstens 82 loterijen georganiseerd (de meerderheid weliswaar nog steeds in Brugge, vanaf de zestiende eeuw verschoof het zwaartepunt naar Antwerpen). Maar ook in Duitsland doken er vanaf 1470 loterijen op, en het waren de loterijen in Rome, Genua en Venetië die vanaf 1504 van het Italiaanse woord ‘lotto’ – net als ‘loterij’ afgeleid van het Nederlandse woord ‘lot’, het toeval – de internationaal herkenbare merknaam maakten. De loterij volgde zo de weg van de toenmalige handelsroutes, van de Nederlanden via Duitsland naar Noord-Italië. In de zestiende eeuw zien we ze dan overal in Europa opduiken.

Het motief van de organisator, doorgaans een stad maar soms ook een private organisatie, was uiteraard om winst te maken. Maar die werd gebruikt om collectieve noden te financieren: het versterken van de stadsmuren, het bouwen van een hospitaal of een kerk, of het betalen van schulden, zoals in het geval van die eerste trekking in 1441. Ook dat maatschappelijke aspect is nog steeds een wezenlijk kenmerk van een loterij. In 2020 heeft de Nationale Loterij van België voor 185.300.000 euro aan steun verleend, voor tal van projecten en verenigingen met een humanitair, sociaal, sportief, cultureel en wetenschappelijk doel.

Auteur: TOM NAEGELS

HISTORISCHE
SITUATIESCHETS

BRUGGE 1441, EEN HISTORISCHE SITUATIESCHETS

Midden 9e eeuw werd de dochter van de toenmalige koning van West-Francië geschaakt door Boudewijn I, onze eerste Graaf van Vlaanderen, ook wel Boudewijn “met de Ijzeren Arm” genoemd. Haar vader, Karel de Kale, was wellicht niet opgetogen maar voelde zich toch verplicht om zijn schoonzoon een gebied te schenken. Dat werd de“Pagus Flandrensis”. Het gebied bestreek zowel de kustvlakte als het zandgebied erachter. 

De Merovingische koningen hadden reeds interesse getoond in de omgeving van Torhout en Brugge. Het was enigszins onduidelijk of dit gebied met z’n slikken en schorren tot de zee, dan wel tot alsook de eerste abdijen. Het werd bevolkt door gemeenschappen die een zeer sterke culturele affiniteit vertoonden met de Anglo-Saxen, blijkens de huizenbouw, materiële cultuur en zelfs de munten (sceatta) die ze gebruikten. Toch was het land behoorde. Het was op dat moment op de kaart van Europa op dat moment dan ook nog een blank gebied, waar niemand enige interesse voor toonde.

Boudewijn I en zijn erfopvolgers slaagden er weliswaar in om het gebied op de kaart en in de geschiedenisboeken te krijgen. Dit door het potentieel aan gestrande “vrije mensen” voor zich te winnen, de doortocht van het “grote Viking-leger” naar Parijs te oriënteren, belangrijk militair inzicht te verwerven van hun verwanten uit de koninkrijken Wessex en Mercia en zich de beleidsvoering aan te meten van belangrijke regionale groeipolen op vlak van administratie, handel en ondernemingszin.

De dynastie slaagde erin om op relatief korte tijd een delicaat evenwicht uit te bouwen tussen het graafschap Vlaanderen en de koning van Frankrijk en tussen henzelf en de autonomie van steeds groeiende stedelijke kernen zoals Brugge. Reeds in de vroege middeleeuwen slaagde het tweetalige graafschap Vlaanderen er zowaar in om zich enigszins koninklijke allures aan te meten. Het graafschap legde manschap af voor Kroon-Vlaanderen aan de koning van Frankrijk en voor Rijks-Vlaanderen aan de Duitse keizer en omspande ruim de huidige provincies West- en Oost-Vlaanderen, Frans-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen.

Het moeilijke evenwicht tussen koning en graaf en tussen graaf en steden als Brugge, Ieper en Gent zou de volgende 400 jaar onze geschiedenis bepalen. Met ups and downs, maar voornamelijk met succes. Vlaanderen moeide zich in de Slag bij Hastings, richtte hospitalen op, stichtte het Latijnse keizerrijk in Constantinopel, haalde het toenmalige wereldnieuws met de Guldensporenslag in 1302. 

De vrouwelijke erfopvolging werd hoog in het vaandel gedragen onder het motto “liever een vrouw van hier” en de steden zagen daar ook heel strikt op toe. Brugge, Gent en Ieper behoorden stuk voor stuk tot de belangrijkste steden in West-Europa en waren motoren van handel, textielindustrie, rijkdom en economische en financiële innovatie. Ook in bestuurlijke aangelegenheden en rechtspraak werd hun autonomie gerespecteerd.

Lodewijk van Male heerste bij zijn dood in 1384 niet alleen als graaf van Vlaanderen, maar ook als graaf van Nevers, graaf van Rethel, graaf van Bourgondië (La Franche-Compté) en graaf van Artesië. Zijn enige dochter, Margaretha van Male -langs moederszijde ook de erfgename van het Hertogdom Brabant- was misschien niet de mooiste maar in elk geval wel de meest begeerde bruid van Europa. Margaretha’s huwelijksperikelen lezen als een trieste roman.

Bourgondiërs: potverteerders met grote controledrang

Uiteindelijk luidde haar huwelijk met Filips de Stoute, de Hertog van Bourgondië, een nieuw tijdperk in. De bibliotheek van Margaretha was wellicht tien keer groter dan die van Filips. Vandaag zou dat enkel iets vertellen over haar belezenheid, maar toen had het ook te maken met macht, invloed en prioriteiten. Bourgondiërs waren nu eenmaal potverteerders met grote controledrang. Hun overdreven ambities namen ruimschoots de bovenhand op de belangen van de Vlaamse steden met hun embryonale drang naar democratie, inspraak en zelfbeschikking. Het graafschap Vlaanderen en haar steden waren de melkkoe geworden die de Bourgondische grootheidswaanzin moest onderhouden. Meer dan 50 procent van hun hofhouding, militaire expedities en kruistochten werden door Brugge, Gent en Ieper gefinancierd.

crowdfunding
avant la lettre

Loterijen: crowdfunding avant la lettre

Het beboeten van verzet werd vertaald in het heffen van belastingen. Zogenaamde ‘bedes’ volgden zich in sneltempo op in deze periode van 100 jaar Bourgondiërs. Het is in deze periode dat Brugge overging tot de organisatie van loterijen voor het financieren van collectieve goederen en diensten, dit als alternatief voor extra belastingen en ‘assisen’.

Een vorm van ‘crowdfunding avant la lettre’ want er moesten nu eenmaal ook nog zinnige zaken gefinancierd worden naast het betalen van de eeuwige belastingen voor de Bourgondiërs.

Een nieuwe kentering kwam er met de dood van de Bourgondische hertog Karel de Stoute bij de Slag om Nancy in 1477. Maria van Bourgondië diende zich op haar Vlaamse gebieden terug te plooien en moest opnieuw grote vrijheden toekennen aan de Vlaamse steden en verregaande inspraak dulden. Haar plotse overlijden in 1482 bracht een ongeziene strijd rond de erfopvolging op gang.

Zware straf voor Brugge

De Vlaamse steden weigerden haar echtgenoot Maximiliaan I, kroonprins van het Duitse Heilig Roomse Rijk te erkennen als voogd over haar minderjarige zoon Filips. De Vlaamse steden roken hun kans en gingen tussen 1483 en 1492, met de steun van enkele Hollandse en Brabantse steden als Brussel, Leuven en Tienen, voor een regelrecht onafhankelijk Vlaanderen. Maximiliaan I werd zelfs effectief in Brugge gevangen gezet. In het Europa van toen was dit ongezien. Mechelen en Antwerpen kozen opportunistisch de kant van de Roomse koning en brachten zo de Vlaamse onafhankelijkheid het nekschot toe, zowaar een zaak voor de Vlaamse canon. Vooral Antwerpen werd ruim beloond. Brugge werd zwaar gestraft en moest haar stadswallen slopen, voor eeuwig zwanen of ‘Lanchalzen’ op de reien toelaten. Diamantairs, goudsmeden en bankiers werden verplicht om naar Antwerpen te verhuizen, althans, zo wil het een legende. Een tachtigjarige oorlog later zou blijken dat de keuze van Antwerpen hen de Spaanse Habsburgers bracht. De fictie van de Zuidelijke Nederlanden en het fenomeen van de Nederlandstaligen in België was geboren, met ‘Vlaanderen’ als wel zeer cynisch pars pro toto.

In Brugge zou men verder loterijen organiseren voor de meest dringende collectieve noden in een desastreuze financiële situatie. Andere steden in de Lage Landen en daarbuiten hadden inmiddels eveneens het fenomeen ‘loterijen’ ontdekt. De loterij ging wereldwijd.

Auteur: JANNIE HAEK

Copyright foto's : Timescope, Universiteit Gent; Stadsarchief Brugge; Metropolitan Museum of Art, New York; Nationale Loterij; Bayerische Staatsbibliothek; Phoebus Foundation; Brugse Musea; Universiteitsbibliotheek Gent; Koninklijke Bibliotheek van België (KBR); Visit Bruges, Jan Darthet

“Ik zie de loterij uit 1441 als een crowdfunding avant la lettre, want wat ze met hun trekking financierden, zijn initiatieven die de burgers nauw aan het hart lagen. Eigenlijk is de Nationale Loterij vandaag een grote nationale tombola waarbij deelnemers spelen voor een klein bedrag. Je hoopt er wel mee te winnen, maar je weet ook dat je zo een mooie bijdrage levert aan een goed doel. Op die manier win je altijd.”

JANNIE HAEK
CEO Nationale Loterij

Foto: Thomas De Boever 

“Zo moet die eerste trekking ongeveer verlopen zijn: op een houten toneel staan twee manden. In de ene zitten alle loten, met daarop een naam en vaak ook een korte zin of een versje. In de andere mand zitten blanco briefjes en briefjes met prijzen. Transparantie was essentieel, dus elk lot werd getrokken – en met een verdragende stem omgeroepen. Het moet een geweldige beleving geweest zijn.”

JEROEN PUTTEVILS
Hoofddocent Middeleeuwse Geschiedenis, Universiteit Antwerpen

Foto: Thomas De Boever 

“Brugge was dé place to be voor iedereen die zich in die tijd creatief, artistiek, technologisch… roerde. Het was de centrale plaats waar grondstoffen binnenkwamen en er was kapitaal zat om projecten te financieren. In Brugge kwamen alle informatiestromen samen, die verspreiding ging heel snel. Later deden Venetianen mee aan de trekking in Brugge, en omgekeerd. Gebruikmakend van de bestaande netwerken ontpopte de loterij zich tot een internationaal gebeuren.”

JAN DUMOLYN
Professor Middeleeuwse Geschiedenis, Universiteit Gent

Foto: Thomas De Boever 
JANNIE HAEK
CEO Nationale Loterij

Foto: Thomas De Boever 
JEROEN PUTTEVILS
Hoofddocent Middeleeuwse Geschiedenis, Universiteit Antwerpen

Foto: Thomas De Boever 
JAN DUMOLYN
Professor Middeleeuwse Geschiedenis, Universiteit Gent

Foto: Thomas De Boever